De wind blaast zacht doorheen mijn open hart.
De poort is open, het valhek hangt op.
De muur is een ruïne en de toren helt naar links.
De wind blaast zacht doorheen de ruïne van mijn hart.
Waar de kraaien spelend dansen naar goud, daar
ligt mijn zijn begraven onder een laagje zand.
Rode roos vlammend in de zon.
De laatste ridder die viel door jouw hand,
mijn zwaard staat roestig in't mulle zand.
Daar lig ik te sluimeren, wachtend met m'n hele wezen,
op een nieuwe start.
Zonder dralen, zonder falen, een nieuw vertrek
dat alles achter laat, alles vergeten laat :
hoe je mijn hart belegerde en won,
hoe je me verachtte en vertrapte.
Maar met elke schop, met elke smaad
bloeide mijn liefde op. M'n hart werd verkracht,
terwijl je even lachte en ik bevend door mijn knieën ging.
Één, alles, verterend liefdesvuur.
Fré 12/90
Subscribe to:
Post Comments (Atom)

No comments:
Post a Comment